Geschiedenis van Escharen
Als we terugkijken in het verleden, kunnen we stellen dat het plaatsje Escharen als "moederparochie" van de omliggende kerkgemeenschappen een vooraanstaande plaats innam.

Rond 1250 had Escharen reeds een eigen kerk met een hoofdaltaar.
Het ontstaan van het Esterse
Sint Antonius gilde


Het ontstaan van het gilde heeft zonder twijfel vóór 1600 plaatsgevonden wat uit oude notities is gebleken, maar we hebben sterk het vermoeden dat het gilde reeds vóór 1556 bestond.

In dat jaar werd nl. het hoofdaltaar, dat aan Sint Antonius gewijd was, overgedragen aan de Heilige Maagd Maria.

In 1597 is er sprake van een Sint Antonius Abt altaar in de Esterse kerk. De pastoor was de rector van dit altaar en hij las op vrijdagen een mis op dit altaar.

Van deze periode tot ca.1700 is over het gilde niets bekend.

Dit vindt mede zijn oorzaak in het feit dat in 1940 een grote brand is geweest in het gildehuis en dat daarbij de gildeboeken en andere geschriften zijn verbrand.
Uit het notitieboek pastoor J. F. Bloemarts

In een door de Escharense pastoor J. F. Bloemarts aangelegd notitieboek, dat aanvangt met 17 september 1725 - het beginjaar van Bloemarts pastoraat - staat te lezen, dat op het feest van Sint Antonius de Eremiet (17 januari) door de pastoor een solemnele hoogmis met preek opgedragen werd en daags daarna een mis voor de afgestorven gildebroeders en gildezusters.

Het gilde moest in die tijd voor het lezen van beide gildemissen een bedrag van f 1,80 betalen.

Rond 1745 werd er vanwege de toen heersende malaise door het gilde niet geteerd, De traditionele zielsmis van 18 januari werd gecombineerd met de hoogmis van 17 januari en pastoor Bloemarts schrijft, dat hij "voor dien eenen dagh als ofte" hij twee dagen "den dienst deede" de "volle gerechtigheyt gehad" heeft.

De ontwikkeling van het kerkelijke gilde tot een schuttersgilde

In de zogenaamde "Hollandse" Gouden Eeuw en de daarop volgende Pruikentijd wemelde het Cuyklandse platteland van gauwdieven, struikrovers, nachtegaaldienaars en vagebonden en in die tijd fungeerden de van oorsprong kerkelijke gilden als bewakings- en opsporingsdiensten.

De gilden werden een instrument van de toenmalige wereldlijke autoriteiten.

In dit verband gezien is het dan ook logisch, dat de Walraat Baron Steenhuys Vrijheer tot Heumen in 1721 het in diezelfde tijd vervaardigde reglement van het Esterse gilde van Sint Antonius approbeerde of goedkeurde.
Bezoek J. A. Jolles in 1931 aan Escharen

Gelukkig heeft J.A. Jolles in 1931 een bezoek gebracht aan Escharen en heeft hij het nodige van de historie van het Sint Antoniusgilde in zijn boek opgenomen.

Zodoende zijn er toch nog enige gegevens over het oude reglement en over het zilver bewaard gebleven.

We herschrijven hier enige gegevens uit bovengenoemd boek.
Er was een reglement gedateerd 1 januari 1721. Het bevatte 32 artikelen en werd geapprobeerd door Walraat Baron Steenhuys Vrijheer tot Heumen etc. Volgens artikel 1 schiet men op de vogel "om eenen vrije Conink met een vrije Cooninginnen". De koning mag een ton bier schenken "soo dat hem gelieven sal". Dat is mooi gezegd, maar wanneer hij dat eens zou nalaten, zal hem dat wel kwalijk genomen worden. Voor het begraven werd 5 stuivers per drager gerekend "ende die van de pest stierven tien stuyvers". Een keizer ontving 4 ducatons "terende levnslang om niet".
Uit een oud rekenboek van 1824 tot (zover het de uitgaven betrof) 1931 blijkt, dat het gilde schapen hield. Hierover bestonden verschillende aantekeningen zoals: "ontvange van een schaap…", (voor zoveel) "pont en een verdel wol…" "twee schapen gekocht F5-10)…" en "voor het voederen van een schaap…"
Ook kwam er een post voor "ontvangen van den halven kop" en "voor den kalfskop". Dit sloeg niet op een werklijk verkochte kalfkop, maar op het volgende. Wanneer de gildebroeders ’s winters bij elkaar kwamen werd voor de aardigheid een "kieuw", dat is de onderste helft van een halve kalfs- of varkenskop, telkens weer "verkocht", en dit gebeurde zolang er iemand op wilde bieden. Er werd alleen maar "verkocht" maar nooit geleverd. De bedoeling hiervan was om de kas te spekken.
Op een ledenlijst is het eerste jaar van inschrijving 1771. In 1880 betaalde het gilde het reeds in 1867 gekochte stukje grond, groot 8 roeden, waarop de schutsboom staat.
Oorspronkelijk werd er 2 dagen geteerd, op maandag en dinsdag na de patroonsdag op 17 januari. Doch na 1931 is alles een beetje verlopen. De omstreeks 60 leden brachten niet genoeg "bij", zodat er nog maar één dag geteerd kon worden (zonder de vrouwen). Indien de kastelein niet wat gaf zou het er in het geheel niet van komen.
Er was koningsschieten, eenmaal in de 3 jaren en jaarlijks prijsvogelschieten als er belangstelling voor was met 25 ct. Inleg. Na de oorlog is men overgegaan tot het jaarlijks koningsschieten. De reden hiervan was om zo het met de brand verloren gegane koningszilver versneld op te bouwen.
Grote brand in de kom en het gilde huis van Escharen in 1940

Hierbij ging het archief, het koningszilver en andere attributen verloren. Van al het zilver 28 koningsplaten en de drie sikkels, resten naar men zegt alleen een klompje door het vuur gesmolten metaal. Gelukkig was op dat moment het Vaandel bij de vaandrig van het gilde waardoor deze gespaard werd